Na het verlies van een partner

De eenzaamheid na de dood van een partner resulteert vaak in symptomen die in verband gebracht worden met een depressie. Het vermijden van die eenzaamheid kan de ontwikkeling van een depressie voorkomen.

Wetenschappers van de Faculteit psychologie en pedagogische Wetenschappen van de kU Leuven onderzochten symptomen van depressie bij oudere mensen die recent hun partner verloren. 515 getrouwde mannen en vrouwen van 65 jaar of ouder werden gedurende 3,5 jaren gevolgd. 241 personen verloren hun partner tijdens de looptijd van het onderzoek. De onderzoekers gingen op zoek naar symptomen van depressie, zowel bij de mensen die hun partner verloren als bij de mensen waarvan de partner nog in leven was.

“We stelden vast dat het verlies van een partner een heel klein aantal symptomen veroorzaakte die gelijkaardig zijn aan een depressie”, zegt hoofdauteur Eiko Fried. “Het belangrijkste symptoom was eenzaamheid. Daarnaast leken deze eerste symptomen ervoor te zorgen dat er andere symptomen van depressie ontstonden.” “Dat heeft implicaties voor de preventie en de interventie bij oudere mensen die hun partner verloren hebben. In de plaats van depressie in het algemeen te bestrijden, kan het specifiek behandelen van essentiële symptomen zoals eenzaamheid vermijden dat andere symptomen geactiveerd worden. Zo vermijd je de ontwikkeling van een volwaardige depressie.”

De onderzoekers maken zich zorgen over het feit dat DSM-5 – het handboek gebruikt door medische professionals om psychische aandoeningen zoals depressie vast te stellen – het onderscheid tussen depressie en verlies heeft weggelaten in de nieuwste versie, gepubliceerd in 2013. “Daar is veel discussie over geweest, en we vrezen dat veel mensen die op een normale manier rouwen om hun partner verkeerd gediagnosticeerd worden met een pathologische depressie”, zegt Eiko Fried.

Deze studie is de eerste die de ‘netwerk’-aanpak empirisch evalueert om de associatie tussen verlies van een partner en depressieve symptomen te analyseren. Het onderzoek gebeurde in samenwerking met onder andere de Universiteit van Amsterdam en werd gepubliceerd in de Journal of Abnormal psychology.