Huisarts, apotheker en thuisverpleger moeten veel meer samenwerken

Interview met Jo Vandeurzen

Huisartsen, apothekers en andere zorgverstrekkers moeten in hun regio beter samenwerken. Om dat mogeliijk te maken, wordt Vlaanderen opgedeeld in een 60-tal zorgzones.

Voor eenvoudige medische hulp gaan patiënten doorgaans langs bij hun apotheek of huisarts. Aangevuld met thuisverplegers, psychologen en de ziekenfondsen vormen zij de eerstelijnszorg. Zij proberen de patiënt zo goed mogelijk te helpen of hem, indien nodig, door te verwijzen naar specialisten of het ziekenhuis, in het jargon de tweedelijnszorg. In de eerstelijnszorg wordt evenwel te weinig samengewerkt, vindt Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V). Dat komt omdat daar nauwelijks prikkels voor zijn. Als artsen en andere hulpverstrekkers samenwerken, komt dat omdat ze het zelf belangrijk vinden. Het gebrek aan samenwerking leidt tot een minder efciënte zorg waarin de patiënt geregeld verloren loopt.

Eerstelijnszones

De oprichting van eerstelijnszones moet daar verandering in brengen. Vlaanderen wordt onderverdeeld in een 60-tal zones van 75.000 tot 120.000 inwoners waarin de zorgverstrekkers moeten samenwerken. De kaart van de zorgzones, die doorgaans meerdere gemeenten beslaan, is min of meer klaar. De zorgverstrekkers van 49 zones hebben aangegeven te willen samenwerken en hebben daarvoor groen licht gekregen. Enkel in de Antwerpse Kempen is het nog onduidelijk wie met wie in zee gaat. Een paar zones zitten nog in de pijplijn. ‘Door de versnippering is het vandaag dikwijls onduidelijk waar mensen naartoe moeten trekken. We willen op termijn in elke zone tot één toegangspoort komen, die voor de burger uitzoekt waar hij het best wordt geholpen. Die zorgverstrekker kan de huisarts zijn, maar ook iemand anders’, zegt Ruth Raes, een van de acht transitiecoaches die de zorgzones begeleiden. Wie of wat die toegangspoort wordt, is nog niet duidelijk. De ziekenfondsen, die zich aan het omvormen zijn tot gezondheidsfondsen, zijn alvast bereid om die taak op zich te nemen.

Jo Vandeurzen Vlaams minister van Welzijn

‘Voor de Vlaming betekent dat uiteindelijk betere zorg en meer betrokkenheid. Door te overleggen krijgen de zorgverstrekkers een ruimer zicht op de beschikbare oplossingen’, zegt Vandeurzen. De zorgverstrekkers moeten niet alleen uitmaken wie welke taak op zich neemt, ze moeten ook overleggen over de medische toestand en de eventuele behandeling van patiënten.

Wijkgezondheidscentra

Dat betekent dat ze veel intenser moeten overleggen, iets waar ze nu helemaal niet toe worden aangespoord. ‘Op termijn moeten we naar een model van permanente samenwerking evolueren. Een denkspoor is dat de zorgverstrekkers zich in de steden baseren op het model van de wijkgezondheidscentra. Voor het platteland moet een nieuw model worden uitgewerkt’, zegt Raes. Niet alleen de eerstelijnszorg moet samenwerken in regionale netwerken, ook de ziekenhuizen moeten dat doen. Die moeten zich groeperen in 13 Vlaamse netwerken, waarbij sommige instellingen zich concentreren op basiszorg en andere basiszorg en enkele specialisaties aanbieden. Voor complexe zorg of een specifeke gespecialiseerde behandeling moeten ze patiënten doorverwijzen naar andere ziekenhuizen in het netwerk of gespecialiseerde ziekenhuizen elders in het land.

Betaalbaar

Met de hervorming van het ziekenhuislandschap wil Vandeurzen samen met de federale minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Maggie De Block (Open VLD) uitkomen op een meer kwaliteitsvolle zorg die bovendien betaalbaarder is voor de overheid. Doordat nu elk ziekenhuis zowat alles kan doen, is niet overal de nodige expertise voorhanden en wordt geld verspild. De keuzevrijheid van de patient blijft evenwel overeind. Het is niet omdat een Vlaming in een bepaalde zorgzone woont, dat hij ook naar een bepaald ziekenhuisnetwerk moet gaan. ‘De keuzevrijheid van de patient blijft overeind’, besluit Raes.