De nieuwe kraamzorg

De regering  wil het verblijf in de kraamkliniek na de bevalling inkorten. Dit voorstel volgt daarmee een internationale trend waarbij vrouwen met hun pasgeboren baby steeds vroeger de kraamafdeling verlaten. Volgens het Federaal kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) is dit in België, waar de duur van de kraamverblijven nog altijd hoger ligt dan in de meeste andere westerse landen, ook mogelijk. Het Centrum stelt voor om postnatale zorg beter te integreren in de periode die start in de zwangerschap en die doorloopt tot enkele weken na de geboorte.

Een korter verblijf na een normale bevalling is vanuit medisch standpunt verantwoord, maar het gevolg daarvan is wel dat de kersverse ouders minder tijd hebben om kennis te maken met hun kindje en om het te leren verzorgen in de veilige omgeving van het ziekenhuis. Daarbij komt nog dat de gezinnen kleiner geworden zijn en dat grootouders vaak zelf nog aan het werk zijn. Daardoor hebben de nieuwe ouders van vandaag minder rolmodellen en krijgen ze minder steun van hun directe omgeving dan ouders die opgroeiden in traditionele, grote gezinnen. Het risico is dus dat er een tekort aan hulp en zorg ontstaat in de periode na de geboorte, een periode die nochtans cruciaal is voor een goede start in het leven. Die situatie is vooral zorgwekkend bij kwetsbare gezinnen.

De onderzoekers van het KCE stelden vast dat een verblijfsduur van minder dan 72 uur in het ziekenhuis zeker haalbaar is. Voorwaarde is wel dat de voorbereiding op de eerste dagen na de geboorte al tijdens de zwangerschap begint en dat veel aandacht gaat naar de opvolging van de postnatale zorg nadat de moeder de kraamafdeling verlaten heeft.

Het kCE stelt een zorgmodel voor dat verder gaat dan de muren van het ziekenhuis. Het omvat een zorg die ononderbroken wordt verleend voor, tijdens en na de bevalling. Na de geboorte wordt het accent op thuiszorg gelegd, in plaats van op ziekenhuiszorg.

De organisatie van het ontslag uit de kraamafdeling en de thuiszorg die er naadloos moet op aansluiten, moeten nauwkeurig worden beschreven in een zogenaamd zorgpad. Het beroep van vroedvrouw moet opnieuw worden gedefinieerd en geherwaardeerd, zodat kan worden voldaan aan de steeds toenemende vraag naar postnatale zorg in eerste lijn (thuis).

Elke toekomstige moeder moet haar eigen ‘individuele zorgplan’ en zorgcoördinator hebben  om haar te begeleiden vanaf de zwangerschap tot enkele dagen na het verlaten van de kraamafdeling. Voor een goede uitvoering van het zorgplan moeten de verschillende zorgverleners met elkaar samenwerken: vroedvrouwen, gynaecologen, kinderartsen, huisartsen… Het gebruik van informaticatools, zoals een gedeeld materniteitsdossier, verbonden met het Globaal Medisch Dossier, moet de multidisciplinaire samenwerking vergemakkelijken.

Het verdwijnen van de informele steunnetwerken voor nieuwe ouders moet worden opgevangen door initiatieven zoals kraamhulp. kraamhulp omvat niet-medische hulp aan het gezin, met inbegrip van huishoudelijk werk, zorg voor de baby, opvang van de kinderen en persoonlijke hygiëne. Deze dienstverlening wordt vandaag alleen in Vlaanderen gedeeltelijk terugbetaald. Verder kunnen ook oudergroepen aangemoedigd worden: ouders die elkaar regelmatig in groep ontmoeten, kunnen ervaringen delen en een steunnetwerk uitbouwen. Hoewel alle gezinnen daar baat bij zouden hebben, moeten kwetsbare gezinnen extra aandacht krijgen. Tenslotte zorgt geïntegreerde postnatale zorg, die meer thuis en minder in het ziekenhuis wordt verleend, niet alleen voor het behoud van de kwaliteit van zorg, maar ook voor een vermindering van de kosten. Op die manier kan doeltreffende zorg verstrekt worden.